Houwen, Anna (2025) Executieve functies van hoogbegaafde leerlingen in relatie tot onderwijsvorm Een kwantitatief onderzoek naar de relatie tussen onderwijsvorm en executieve functies bij hoogbegaafde leerlingen in groep 8. Master thesis, Pedagogical and Educational Sciences.
|
Text
MasterthesisAnnaHouwen.pdf Restricted to Repository staff only Download (1MB) |
Abstract
Deze masterthesis onderzoekt in hoeverre het executief functioneren (executieve functies; EF) van hoogbegaafde leerlingen in groep 8 samenhangt met de onderwijsvorm die zij volgen, en welke rol de thuissituatie en geslacht hierin spelen. Executieve functies omvatten cognitieve processen zoals plannen, inhibitie, werkgeheugen, flexibiliteit en emotieregulatie, en zijn essentieel voor zelfregulatie, leerprestaties en het benutten van cognitief potentieel. Bij hoogbegaafde leerlingen kan een discrepantie ontstaan tussen hoge intellectuele capaciteiten en feitelijk functioneren wanneer EF onvoldoende ontwikkeld of aangesproken worden. Dit kan leiden tot onderpresteren, motivatieproblemen en psychosociale klachten. Binnen het Nederlandse onderwijs bestaan verschillende onderwijsarrangementen voor hoogbegaafde leerlingen, variërend van deeltijdse voorzieningen (compacten, verrijking en plusklassen) tot voltijds hoogbegaafdheidsonderwijs. Theoretisch wordt verondersteld dat voltijdse voorzieningen sterker bijdragen aan de ontwikkeling van EF, omdat zij meer autonomie, complexiteit en zelfregulatie vereisen. Tegelijkertijd benadrukt het triadisch interdependentiemodel van Renzulli en Mönks dat talentontwikkeling niet uitsluitend afhankelijk is van individuele capaciteiten of schoolcontext, maar mede wordt gevormd door de kwaliteit van de sociale omgeving, waaronder het gezin. Vanuit dit perspectief is het relevant om niet alleen het effect van onderwijsvorm te onderzoeken, maar ook de invloed van de thuissituatie en de mogelijke interactie tussen beide. De centrale onderzoeksvraag luidt: In hoeverre is er een verschil in executieve functies tussen hoogbegaafde leerlingen in voltijds hoogbegaafdheidsonderwijs en leerlingen in deeltijdsvoorzieningen? Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre de thuissituatie samenhangt met EF en of deze relatie verschilt per onderwijsvorm. Geslacht en leeftijd worden meegenomen als controlevariabelen. Het onderzoek heeft een kwantitatief, cross-sectioneel en beschrijvend-comparatief design. De steekproef bestond uit 35 hoogbegaafde leerlingen in groep 8, met een gemiddelde leeftijd van ongeveer 11 jaar. Van deze leerlingen volgde circa 71% voltijds hoogbegaafdheidsonderwijs en 29% een deeltijdsvoorziening binnen het reguliere onderwijs. Executieve functies zijn gemeten met een verkorte Nederlandse zelfrapportageversie van de BRIEF-SR (27 items), waarbij hogere scores wijzen op beter executief functioneren. De thuissituatie is gemeten met de thuissituatie-subscale van de BIC-S (7 items), die de door het kind ervaren kwaliteit van de opvoedingscontext in kaart brengt, zoals emotionele steun, veiligheid, structuur en voorspelbaarheid. De data-analyse bestond uit beschrijvende statistieken, onafhankelijke t-toetsen, correlatieanalyses en hiërarchische regressieanalyses. Eerst werd onderzocht of EF-scores verschillen tussen de twee onderwijsvormen en tussen jongens en meisjes. Vervolgens werd bekeken of de thuissituatie samenhangt met EF en of deze relatie verschilt per onderwijsvorm. De resultaten laten zien dat er geen significante verschillen zijn in executieve functies tussen leerlingen in voltijds hoogbegaafdheidsonderwijs en leerlingen in deeltijdsvoorzieningen. Ook werden geen significante verschillen gevonden tussen jongens en meisjes, en leeftijd bleek niet samen te hangen met EF. Daarentegen werd een significante, positieve relatie gevonden tussen de ervaren kwaliteit van de thuissituatie en executieve functies. Leerlingen die hun thuissituatie als ondersteunend, veilig en voorspelbaar ervaren, rapporteren hogere EF-scores. In de regressieanalyse bleek de thuissituatie een significante voorspeller van EF, terwijl onderwijsvorm geen unieke bijdrage leverde aan de verklaarde variantie. Het interactie-effect tussen onderwijsvorm en thuissituatie was niet significant, wat betekent dat de positieve relatie tussen thuissituatie en EF vergelijkbaar is voor beide onderwijsvormen. Met andere woorden: een gunstige thuissituatie hangt samen met beter executief functioneren, ongeacht of een leerling voltijds of deeltijds hoogbegaafdheidsonderwijs volgt. Deze bevindingen sluiten aan bij bestaande literatuur waarin het belang van ouderlijke sensitiviteit, structuur, emotionele veiligheid en autonomieondersteuning voor de ontwikkeling van zelfregulatie en EF wordt benadrukt. Binnen het theoretisch kader van Renzulli en Mönks onderstrepen de resultaten de centrale rol van de gezinscontext in het realiseren van cognitief potentieel. De afwezigheid van een onderwijseffect kan verschillende verklaringen hebben. Ten eerste is er grote variatie binnen zowel voltijdse als deeltijdse voorzieningen, waardoor het label van de onderwijsvorm weinig zegt over de daadwerkelijke pedagogisch-didactische kwaliteit. Ten tweede ontwikkelen EF zich geleidelijk en is langdurige, consistente stimulatie nodig om meetbare effecten te bereiken; veel leerlingen hebben relatief kort ervaring met hun huidige onderwijssetting. Ten derde kan de variatie in EF binnen een hoogbegaafde populatie beperkt zijn, waardoor verschillen tussen groepen statistisch moeilijk aantoonbaar worden. Het onderzoek kent enkele beperkingen. De steekproefomvang is relatief klein, wat de statistische power beperkt en het risico vergroot dat subtiele effecten onopgemerkt blijven. Daarnaast is sprake van selectieve instroom in de verschillende onderwijsvormen, waardoor leerlingen niet willekeurig zijn verdeeld en mogelijke confounders niet volledig zijn uitgesloten. Ook is gebruikgemaakt van zelfrapportage, wat gevoelig kan zijn voor vertekening. Door het cross-sectionele karakter kunnen geen causale conclusies worden getrokken over de richting van de gevonden verbanden. Desondanks levert deze studie relevante inzichten op voor onderwijs en beleid. De resultaten suggereren dat het versterken van executieve functies niet uitsluitend afhankelijk is van de gekozen onderwijsvorm, maar in sterke mate samenhangt met de kwaliteit van de thuissituatie. Dit benadrukt het belang van samenwerking tussen school en ouders, en van ouderondersteuning bij het creëren van een stabiele, stimulerende opvoedingscontext. Daarnaast onderstrepen de bevindingen het belang van expliciete aandacht voor EF binnen alle onderwijssettings, bijvoorbeeld door gerichte instructie, begeleiding en feedback op vaardigheden zoals plannen, organiseren en emotieregulatie. Voor toekomstig onderzoek wordt aanbevolen om longitudinale designs te gebruiken, meerdere informanten en meetmethoden te combineren en meer aandacht te besteden aan kwalitatieve verschillen binnen onderwijsvoorzieningen. Hiermee kan beter worden vastgesteld welke specifieke onderwijs- en omgevingsfactoren bijdragen aan de ontwikkeling van executieve functies bij hoogbegaafde leerlingen.
| Item Type: | Thesis (Master) |
|---|---|
| Supervisor name: | Post, W.J. and Menninga, A. |
| Degree programme: | Pedagogical and Educational Sciences |
| Differentiation route: | Orthopedagogiek [Master Pedagogical and Educational Sciences] |
| Date Deposited: | 12 Jan 2026 07:54 |
| Last Modified: | 12 Jan 2026 07:54 |
| URI: | http://gmwpublic.studenttheses.ub.rug.nl/id/eprint/6046 |
Actions (login required)
![]() |
View Item |
